Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1875

178

partijen: liberalen, konservatieven, roomschen hebben aan onze kandidaten hun aandacht geschonken, maar erkend, dat wij ditmaal een ernstige en een geduchte tegenstander waren. De heer Groen, van wien men beweerd heeft, dat hij het eenige lid zijner partij was, kan nu zijn duizenden monsteren. Ook ik had niet gedacht, dat de kandidaten van de Christelijk-Historische partij zooveel stemmen op zich vereenigen zouden. Ik behoef het niet te zeggen, dat deze aanzienlijke cijfers ook mij grootelijks hebben verblijd. Er blijkt uit, dat er in ons land weêr zeer velen zijn, die de belijdenis des Evangelies nog niet hebben losgelaten. Het spijt mij zeer, dat Dr. Kuyper niet is gekozen. Ik wil hiermee niets onaangenaams zeggen aan de gekozen mannen broeders, maar mijn Amsterdamsche kollega is een man voor het parlementair debat, zooals onze Kamer er geen kan aanwijzen. Iemand beweerde, dat men hem als Koorders zou laten praten, ik geloof ook, dat men naar Dr. Kuyper zou moeten luisteren, en dat hij, met zijn gewone energie de hoofdbeginselen van ons staatsbeleid ter sprake brengende, aan onze Kamerdiskussie weer beteekenis, weer gloed en leven zou hebben bijgezet. Zelfs liberalen hebben eerlijk erkend, dat zij Kuypers optreden in de Kamer wenschelijk achtten." Stemmen voor Waarheid en Vrede, 1873, blz. 785 en 786.

In Januari van het volgend jaar werd Dr. Kuyper inderdaad voor Gouda gekozen. Daarover schreef toen Dr. Bronsveld: „Dr. Kuyper is met een vrij aanzienlijke meerderheid tot lid der Tweede Kamer gekozen. Welk een omkeer in weinig jaren! Wie had in 1871, toen de Amsterdamsche predikant, door den heer Groen candidaat werd gesteld en nergens het tot een herstemming brengen kon, wie had toen kunnen denken, dat reeds in den aanvang van 1874 een zetel voor Gouda door zijn geestver wanten zou veroverd zijn? Terecht mag de heer Groen hierin „een treffend bewijs" zien „eener niet alleen in getalsterkte, maar ook door ijver en beleid toenemende kracht". Neen, we zijn geen machtelooze, geen „stille" partij meer. De liberalen, „het denkend deel der natie", moeten met ons rekenen. Haar schoonste dagen zijn voorbij. Het blijkt meer en meer, dat er ook nog bij de kern van onze natie niet weinigen worden aangetroffen, die van het streven, om ons land weer tot een heidensch land te maken, afkeerig zijn." Stemmen 1874, blz. 218.

Op den 5den Juni 1874 stelde Dr. Kuyper in de Algemeene Vergadering van de Vereeniging voor Chr. N. S. voor, een Com-

Sluiten