Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1875

186

menigeen roemt deze verkondiging als iets nieuws, als het eigenlijk Evangelie van de tweede bekeering, zonder welke de eerste vruchteloos is, enz. God zij gedankt, dat deze heerlijke dingen met ernst bedacht, met gloed verkondigd worden. Maar treurig is het, dat men den heiligen Doop en wat er toe behoort, daarbij zoo onverantwoordelijk vergeet! Zie, gij zijt gedoopt: en toen gij, bij uwe aanneming en bevestiging als lid der gemeente, de doopsbelofte van uwe ouders af en op uzelven genomen hebt, toen gij tot het Avondmaal des Heeren kwaamt, wat deedt gij toen toch anders dan, hetzij u werkelijk toewijden, hetzij althans uwe roeping tot toewijding voor God en menschen erkennen? Zegt gij nu: ja, dit alles deed ik, maar het was gedachteloos gewoonte-werk, uitwendig en harteloos volgen van bestaande kerkelijke instellingen — dan antwoord ik u: Gij belijdt, ik hoop met verbrijzeling des harten en de diepste beschaming, dat dit alles bij u ijdel was en gij die belofte lang verbroken hebt. Maar ik zeg u: het verbond Gods met u bestaat : het verbond, bij uwen doop door God met u aangegaan, is van Zijne zijde niet verbroken, het blijft bestaan. God had zonder twijfel recht u te verlaten, gelijk de man tegenover zijn overspelige vrouw: maar zie, Hij doet het niet (jtrtrai 3:1); dit is zijn ondoorgrondelijke lankmoedigheid over u. Veracht den rijkdom dezer goedertierenheid niet: en als gij nu spreekt van toewijding aan den Heer, zoo doe het, o doe het oprecht en ernstig, maar geef eere aan Gods trouw, hecht deze uwe toewijding aan uwen doop en uwe toetreding tot het Avondmaal vast, zeg dat gij nu, erkennende, dat God het verbond niet verbrak, ook van uwe zijde berouwvol tot Hem wederkeert, en niet een nieuw verbond thands maakt alsof er vroeger niets gebeurd ware, neen, maar dat gij thands het oude, bestaande verbond eindelijk ook van uwe zijde begint te eeren."

Deze woorden nu gaven Dr. Kuyper zijn brief. Aan Ds. J. H. Gunning in de pen, waarvan het begin aldus luidt:

Geliefde Broeder! Uw „Lijden en Heerlijkheid" heeft mij verkwikt. Zoeter vrucht van den zielsangst dien ik met zoovelen die u op het hart dragen een vorig jaar om uwentwil doorstond, kondt gij ons wel niet bieden. Een vrucht in üw lijden gerijpt voor de ure dat ook óns het lijden genaakt.

Sluiten