Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

195

JAARTAL 1875

grootste geesten was; waarom dan nu als godsdienstig element onbruikbaar worden gekeurd, wat dusver der vroomheid haar ruimste verheffing schonk; ja, waarom dan ter opbeuring van onze diepgezonken maatschappelijke toestanden een zout zouteloos zijn te achten, dat een eeuw lang bij een viertal der beste natiën het bederf van weelde en zelf verlaging heeft gekeerd?

V. De mensch Christus Jezus.

De schrijver komt hier op tegen de bewering, dat de geloovige gemeente eenzijdig 's Heeren goddelijke natuur beleed en voor zijn menschelijke natuur geen oog had; neen, zegt hij, maar dat is haar feil bij haar belijdenis van den Christus, dat zij het menschelijke in Jezus vergoodt. Zijn menschelijke natuur echter als behoorende tot het creatuurlijke leven, mag nooit voorwerp van goddelijk eerbewijs zijn. Vervolgens wordt gehandeld over de ontwikkeling van den mensch Jezus Christus tot zijn dertigste levensjaar. Toen was ze voleind, en met die voleinding viel de ontdekking van den mensch Christus Jezus saam, dat Hij was de Zoon van God.

Aan het einde van deze artikelenreeks vinden we dan nog het volgende naschrift:

De voorstelling in dit artikel gegeven, dat de mensch Jezus eerst bij den Doop, voor zooveel zijn menschelijk bewustzijn betreft, de zekerheid ontving, dat Hij de Zone Gods was, heeft aanstoot gegeven. We leiden hieruit af, dat er in die voorstelling iets onjuist gezegd was. Niet terwille van menschen, maar uit onvoorwaardelijken eerbied voor de hoogheilige persoonlijkheid des Heeren, nemen we dit onjuiste, zonder aarzeling terug. Ter voorkoming van misverstand voegen we hier nog slechts aan toe, dat naar onze voorstelling: 1. de Middelaar God van eeuwigheid was; 2. geen oogenblik ophield God te zijn; 3. reeds door zijn moeder moest weten dat hij de Zoon des Vaders was, en 4. dat het verschil alleen hierover liep, of de Heer van mensch af als kind [dit zal moeten zijn: van kinds af als mensch] het volle bewustzijn van zijn Godheid met zich omdroeg.

Hierop nu meenen we te mogen antwoorden: a. als Kindeke op Maria's schoot ontbrak Hem dit menschelijk bewustzijn; falater had Hij het volkomen; c. er moet dus ergens in zijn leven een oogenblik liggen, dat dit bewustzijn klaar door brak; d. reeds op twaalfjarigen leeftijd sprak dit sterk in Hem; e. volkomen, sinds den Doop.

Sluiten