Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1879

218

te treken tusschen de Libertijnen van toen en de Liberalen van thans, maar dit stond niettemin vast: dat in de Belijdenis van de Schrift, van den Christus, van den oorsprong der zonde en het specifieke van onze menschelijke natuur, de modernen thans nog veel verder van den standaard des geloofs afwijken dan de theoretische Libertijnen destijds. Tegenover die loochening nu van alle geopenbaarde waarheid, wees Calvijn met nadruk op zekere verwantschap met de Roomsche Kerk.

En dat het bij den schoolstrijd metterdaad ging tegen hen, die alle geopenbaarde waarheid verwierpen, was duidelijk. De eisch toch was, dat de Staatswet in het Christelijk Nederland niet langer een volksopvoeding, losgemaakt van het positieve Christendom, privilegiëeren, en, meê uit onze beurs, de propaganda van het ongeloof, bekostigen zou. Op dit punt viel Rome's belang met dat der Antirevolutionairen saam.

Dr. Kuyper maakt daarom onderscheid tusschen Protestantsche veerkracht en haar caricatuur: de antipapistische felheid.

Deze onderscheiding teekent onze gedraglijn ten opzichte van Rome in drie vaste punten:

1. Propaganda voor den Protestantschen geest onder de zonen van ons vaderland te drijven, was en is ons plicht en eere. Dien Protestantschen geest handhaven we waar hij is; zoeken we te brengen, waar hij nog ontbrak; pogen we terug te doen keeren waar hij week; dien geest bepleiten we op godsdienstig en kerkelijk, op maatschappelijk en staatkundig terrein. Kracht tot propaganda van dien geest ontleenen we aan Gods Woord en onze historie.

2. Die propaganda willen we gedreven hebben op Protestantsche wijs. Directe noch indirecte dwang, maar uitsluitend vrije overreding is deswege ons wapen. In eerlijke worsteling op het vrije erf moet de strijd uitgestreden. Naar geestelijken trant moet om het geestelijk pand gekampt. Rome door Staatswetten in ongelijke conditie brengen; de rechten onzer Roomsche landgenooten verkorten; onder welken vorm ook een Staatskerk tegen Rome oprichten, willen we niet noch dulden we in anderen. Met de waakzaamheid, dat het tot dien Staatsdwang ten onzent niet kome, is de eere van ons Protestantisme gemoeid.

3. Uit jaloerschheid op Rome en vrees voor den Jezuiet ons vaderland en de volksjeugd ten prooi aan ongodisterij en materialisme te laten, is ons bedunkens verraad aan den geest der Hervorming gepleegd en een wantrouwen in de kracht der Reformatie als in geen zoon van het Protestantisme huizen mag.

Sluiten