Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is de Christelijke vrijheid te belemmeren door het aanleggen van een willekeurigen maatstaf, waarnaar wij de daden van onze mede-Christenen meenen te mogen beoordeelen? Men bedenke toch, dat het hier allerminst gaat om grenzen van geographischen aard! Het eens-en-voor-altijd-vastleggen van wat „mag" en „niet mag" is dus iets zeer bedenkelijks, en het gaat niet aan elkander naar zulk een schema te beoordeelen en te betichten van „wereldgelijkvormigheid" of „bekrompenheid/' De oplossing is zuiver een persoonlijke. Een ieder zij in zijn gemoed verzekerd en geniete ook op het terrein der kunst alles, waarvoor hij God kan danken!

Slechts één bezwaar (dat echter voor velen in hun houding ten opzichte van het tooneel den doorslag geeft) kunnen wij hier nog bespreken. Sanctionneer ik, die persoonlijk geen gewetensbezwaren heb tegen het bijwonen van tooneelvoorstellingen, door mijn houding geen wantoestanden, die op dit gebied toch ongetwijfeld bestaan? Hiertegen merk ik op, le. dat deze wantoestanden geenszins inhaerent zijn aan het tooneel, wat ons, indien dit wel zoo was, zou verplichten tot absolute onthouding, en 2e dat wij door onze onthouding een goede kans geven aan de bestendiging van deze wantoestanden. Reeds is in de laatste jaren veel verbeterd; nog meer zou het peil van ons tooneel stijgen, wanneer gerekend moest worden met een steeds groeiend aantal Christen-tooneelbezoekers. Voorts merken wij op, dat dit bezwaar reeds lang onder ons zijn kracht verloren heeft, waar het bijv. concertbezoek betreft. Een niet onaanzienlijk deel van ons Christelijk publiek bezoekt regelmatig concerten, uitvoeringen van oratoria e. d. Onderzoekt men hier ook, of er aanmerking is te maken bijv. op het zedelijk leven der uitvoerenden, vóór men kunstgenot kan smaken? Een dergelijke opvatting zou leiden tot een volledige uitbanning van de kunst uit ons leven. Wie nu geen aesthetisch genot begeert of zich onontvankelijk weet voor kunst, beseft niet waarom het hier gaat; maar als de kunst voor ons meer is dan levensornament, kunnen wij niet anders dan ons laven aan de bronnen van een kunst, die op onvolkomen wijze want door menschen beoefend wordt. Daarom eischt God van niemand onzer, dat wij onzen aesthetischen aanleg zouden vernietigen, maar wel dat wij dezen aanleg ongerept en zuiver zouden bewaren: een zware eisch, die ons

19

Sluiten