Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

product van (om met Goethe te spreken) „Menschenwitz und Menschenlist."

Ik beken, dat ik aan dit laatste argument nooit bizondere overredingskracht heb kunnen toekennen. Maar het is zonder meer duidelijk, hoezeer dezelfde redenaties toepasselijk zijn op de kwestie van 't tooneel, van Christelijk standpunt beschouwd.

Maar tevens is daarmede ook duidelijk gemaakt, dat 't allesbehalve een eenvoudige kwestie is.

In den geheelonthoudingsstrijd hebben wij geleerd heel veel waarde te hechten aan wat Paulus in Rom. 14 en 1 Cor. 8-10 zegt over de toenmaals zoo brandende kwestie van 't medeeten van vleesch, afkomstig van offerdieren bij heidensche plechtigheden, en culmineerende in het koninklijke woord Rom. 15. 1: „Wij die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen en niet ons zeiven te behagen"; en ik geloof, dat ook dit hier volkomen toepasselijk is.

Maar alweder, ook van dit en dergelijke woorden van Paulus mogen wij geen misbruik maken en nooit vergeten, dat Paulus in de meest krasse termen voor zichzelf en zijn mede-„sterken" het recht opeischt, om zooveel offerdierenvleesch te eten als hem lust; dat hij ia 't niet-eten daarvan volstrekt niet iets bizonder Christelijks ziet, en dat hij alle oordeel van anderen over zijn geweten zoo beslist mogelijk afwijst (1 Cor. 9:4,29,30).

De zaak is, dat 't ons, van 't tooneel sprekende, schier ondoenlijk is, ons los te maken en te abstraheeren van het tooneel, zooals wij 't om ons zien, dat onmiskenbaar met onmetelijk veel zondigs vermengd is en zoo innig verbonden, dat wij ons schier niet kunnen voorstellen, dat 't er van te scheiden zou kunnen zijn, een gevoel, waarin wij versterkt worden, wanneer wij de geschiedenis van het tooneel raadplegen. Aan andere zijde leert juist die geschiedenis ons ook weer, dat er telkens pogingen zijn aangewend, om 't tooneel daarvan te bevrijden, en dat die ook vaak geslaagd zijn; ik wil er slechts ééne noemen, die van Racine in verbinding met mad. de Maintenon, waaraan wij zijn „Esther" en „Athalie" te danken hebben.

De Christen van den tegenwoordigen tijd zal dus m.i. nooit over 't hoofd mogen zien, dat 't tooneel voor menigeen een weg des verderfs is en met de zwakheid van zwakke broederen

32

Sluiten