Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rekening moeten houden. Aan den anderen kant zal hij zich geen oordeel mogen aanmatigen over het geweten van de „sterken", die zich persoonlijk even weinig bezwaard gevoelen door theaterbezoek als Paulus door 't eten van offerdierenvleesch. En nooit mag hij miskennen, dat 't tooneel niet een kwaad is op zichzelf en dat een gereinigd, ook van streng Christelijk standpunt volkomen onbedenkelijk, tooneel niet alleen denkbaar, maar ook practisch mogelijk is — wat hem onmiddellijk voor de vraag stelt, of het niet zijn Christenplicht is met alle kracht daartoe mede te werken.

Ik had deze inleiding noodig, maar ben nu ook gekomen tot beantwoording der eerste vraag. Dat het goede tooneel en goede tooneelliteratuur tot de kunst behooren, is toch werkelijk niet voor tegenspraak vatbaar. Sommige van de allerhoogste en meest aangrijpende kunstwerken, die de menschheid heeft voortgebracht, behooren daartoe; wij behoeven slechts eenige namen te noemen als Aeschylus, Sophocles, Shakespeare, Schiller, Ibsen, om dat te doen gevoelen. Ik noemde opzettelijk Ibsen ook, omdat men juist aan zijn werken zoo goed demonstreeren kan, welk een machtige werking een goed drama — en vooral als 't gespeeld wordt — op het gemoed uitoefent, In dat opzicht kan alleen de muziek met het drama wedijveren. Maar zelfs van de muziek gaat niet die eigenaardige werking uit, die aan 't drama eigen is, welke Aristoteles, gelijk bekend, als „katharsis", „zuivering" omschreven heeft. Ieder die ooit, juist als Christen, zich diep in zijn geweten aangegrepen heeft gevoeld door een drama als „Spoken" of „Nora", weet wat ik bedoel, en zal 't met mij eens zijn, dat de Christenen zeer verkeerd zouden doen met over zulke voorstellingen hun banvloek uit te spreken.

Precies hetzelfde zou men kunnen zeggen van Vondels' tooneelstukken en van honderd andere.

De tweede vraag is, naar ik vertrouw, in het voorgaande reeds voldoende beantwoord. Zooveel (of zoo weinig) plaats als ik over heb, heb ik meer dan noodig voor de beantwoording der derde vraag, die mij als paedagoog natuurlijk het naast aan het hart ligt.

De schakel daarbij uit de woorden „voorbereiding tot het echte tooneel", die mij niet duidelijk zijn, en houd mij aan wat daar volgt: „het instudeeren van samenspraken op jon-

3

33

Sluiten