Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelings- en meisjesvereenigingen, tot bevordering van welsprekendheid door tooneelclubjes, het spelen van stukken door rèeiteer-vereenigingen enz."

Ik kan het niet krachtig genoeg uitdrukken, hoe een warm en onvoorwaardelijk voorstander ik daarvan ben. De kwestie van het toomelbèzoek ligt hier geheel buiten, en daarmede zijn wij af van al die moeilijkheden, die ik boven heb aangeroerd en blijft er niets over dan wat hartelijke aanbeveling verdient. Want dramatische oefeningen, in den niimsten zin, zijn een ontwildtelingsmiddel van den allereersten rang. En zulks op meer dan één gebied: intellect en smaak, uitingsen omgangskunst — om slechts eenige korte omschrijvingen te gebruiken — worden er in hooge mate door bevorderd^ Daarover zijn vrijwel alle paedagogen 't eens, gelijk men in hun boeken kan nalezen, weshalve ook reeds menigmaal van hunne zijde 't dramatiseeren op school als leermiddel is aangeprezen; uit de omvangrijke litteratuur noem ik alleen wat prof. Jac. van Ginneken in zijn „Handboek der Nederlandsche Taal" en John Dewey in 't uiterst lezenswaardige hoofdstuk „Play" van zijn „Schools of to-morrow" daarover gezegd hebben. Ik zou dan ook in 't bovenstaande vóór 't woordeke „enz." wel 'willen invoegen: „op school en in 't gezin."

En zulks ook nog om deze reden. De begrijp heel goed, waarom in die vraag „jongelings- en meisjesvereenigingen" en „tooneelclubjes" genoemd zijn. Men wilde natuurlijk weten, of men daarvan niet „zedelijke" gevaren duchtte. Welnu, ik zou zeggen: eenig toezicht van ouderen kan zeker geen kwaad, ofschoon 't nooit opdringerig mag wezen. Maar op school en thuis is 't dat vanzelf hooit. Op school is 't dramatiseeren der leerstof ongetwijfeld een leermiddel, dat nog een groote toekomst heeft; in het huisgezin, vooral in een combinatie van bevriende en geestverwante gezinnen, is 't instudeeren en opvoeren van geschikte tooneelstükken m.i. in alle opzichten aan te bevelen.

Hilversum. J. H. GUNNING Wz.

34

Sluiten