Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik heb in het weekblad „Bergopwaarts" van het jaar 1920 uitvoerig gehandeld over „De Christen en het Tooneel". De mag voor een uitvoeriger argumentie van mijn meening wel verwijzen naar die artikelen. Thans tracht ik alleen kortelijks op uwe drie vragen te antwoorden.

Ad 1. Zooals bekend mag heeten, is de tooneelliteratuur, zoowel de oude als de moderne, een gewichtig deel, misschien wel het allergewichtigste, van de wereldliteratuur; men behoeft zich slechts de namen van de grieksche tragici, van Shakespeare en Vondel, van Molière, van Goethe en Schiller, van Hebbel en Hauptmann, van Ibsen en Björnson, om van zeer velen te zwijgen, te herinneren om dit in te zien. De meeste groote dichters hebben het drama liefgehad en in dramatischen vorm vaak het beste gegeven waarover zij te beschikken hadden. Dat kan ons ook niet verwonderen, wanneer we bedenken, dat het drama een der oudste vormen van kunst is; dat de meest elementaire gevoelens der menschheid zich altijd weer in dramatischen vorm hebben geuit; dat zoowel bij de primitieve volkeren als in de oudste culturen het elementair-religieus levensgevoel telkens dramatischen vorm aanneemt, gelijk blijkt uit de oude riten en „mysterieën"; datfde liturgieën van verschillende godsdiensten, ook van het christendom, met de oeroude cultische dramas historisch en psychologisch ten nauwste samenhangen: dat in één woord het drama in de ontwikkelingsgeschiedenis 'der menschheid een zóó groote rol speelt, dat de kunstvormen, die met het tooneel verbonden zijn (tragedie, comedie, opera, ballet enz.) een plaats hebben in hart der cultuur, zooals die historisch is geworden. Het is dan ook wel niet voor betwisting vatbaar, dat voor het tooneel werken geschreven zijn, die behooren tot het hoogste, dat ooit werd voortgebracht, en evenmin, dat de dramatische kunstvorm nog altijd aan het scheppend genie groote mogelijkheden biedt.

47

Sluiten