Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sedert Elisabeth Wolff-Bekker in 1772 haar „Zedenzang aan de Menschenliefde, bij het verbranden des Amsterdamschen Schouwburgs, op den 11 den van Bloeimaand, 1772" uitgaf, is het peil van het debat over den schouwburg nog niet veel verbeterd. Gewoonlijk ligt dat niet aan één partij, als het debat niet recht vlotten wil.

Toen de Amsterdamsche schouwburg afgebrand was, en velen zich plaatsten in den stoel van God, door te zeggen: „dat is een oordeel!", — toen maakte Elisabeth Wolff zich aanstonds daarvan af, door het scheldwoord: „gij, booze dwepers, ontaarde menschen, schijnheiligen, monsters, boosaardig volk."

Als vervolgens de argumenten gewogen worden, van tegenstanders en verdedigers van het tooneel, dan is het, alsof het vers van 1772 zóó uit ónzen tijd komt. De „preciesen" werpen tegen: Hy, die naar 't Schouwburg gaat, bereidt zig niet ter dood!

Maar Betje pareert den slag:

Ik stem, welmeenenden! ten volle in uw reden; Maar weet gy, of hy, die zijn sterfelyk oog hier sloot, Zig niet bereid had, om den hemel in te treden? Ik spreek alleenlyk van 't onschuldige in de dingen: Het misbruik van een zaak neemt het gebruik niet weg: Wat wordt toch niet misbruikt door dwaaze stervelingen?

En dan komt er verder het gewone lijstje: de wulpschheid misbruikt de schoone poëzie; schijndeugd misbruikt het zedig kleed; godsdienst en preekstoel worden in den dienst van huichelarij of voor „oproerge reden" aangewend; — maar wie denkt er aan, om het misbruik het gebruik af te schaffen? En dan, o puritein, die niet in den schouwburg wilt zijn, omdat ge er niet sterven kunt:

Durft gy dan zeggen, dat waar ge u ook heen begeeft, Gy altoos vaardig zyt, dit leven te verlaaten?

69

Sluiten