Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sociale worsteling van den eersten rang. En onze eeuw vraagt voor ons geslacht allereerst een liefde van den grooten stij van allen, die het willen opvoeden. Misschien is deze toepassing van de leer der „gemeenschap der heiligen" nog wèl zoo primair als die andere, die meestal alleen in discussie komt, en die ook haar onbetwistbaar recht heeft: de ernstige wil van den vrije, den sterke, om den zwakke niet te „ergeren", d.i. hem geen struikelblok in den weg weg te leggen. En dan: heeft Vondel niet gezegd:

„Bij trappen klimt men eenen toren op, en niet zonder trappen, tenzij met gevaer van den hals te breecken. D' een bereickt langsamer, d' ander sneller den top der volkomenheit; hoewel men hier naulyx volkomenheit vint, omdat die de maet van 's menschen vermogen overtreft?"

Zóó kan de onthouding, om den „aanstaanden" èn den presenten nood, te danken zijn aan de hoogschatting der kunst, en niet te wijten aan haar verachting.

Wat ten slotte de vraag betreft, of het instudeeren van samenspraken op jeugdvereenigingen etc, en het bevorderen der welsprekendheid op scholen door het instudeeren van tooneelclubjes ca. toelaatbaar is, — al deze dingen raken niet het tooneel als publieke, sociale daad, en vallen daarom buiten deze beschouwing, inzooverre althans de paedagoog zelf leert onderscheid maken tusschen wat in besloten kring gebeurt met heel ander doel dan in dan schouwburg. Met eenige variatie op een bekend gezegde, zal de meest conservatieve moeten erkennen, dat deze dingen „van de voorvaderen recht gebruikt zijn geweest."

K. Schilder.

Binnenkort verschijnen in „Opgang": „Beschouwingen over de Tooneelenquête."

80

Sluiten