Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Haag was opgezonden, bleef eenigen tijd uit. Commissaires hebben toen eigener autoriteit, omdat zij meenden „dat het geheel onvoegelijk zou zijn om met het uitspreken van een zegen over Zijne Koninglijke Hoogheid langer te deloyeeren" besloten, van Zaterdag den 18 December af, het gewone formulier van een gebed voor de Overheid zooals voormaals gebruikelijk was geweest, met inlassching van de woorden ONZE HEER, ZIJNE KONINGLIJKE HOOGHEID DE HEER PRINCE VAN ORANGE EN NASSAU, SOUVEREIN VORST DER VEREENIGDE NEDERLANDEN, in alle Synagogen door den Voorzanger te doen uitspreken.

Op den gemelden Zaterdag kwam nu tijdens de voorlezing uit de Boeken Mozes een mededeeling van de Commissaires adjoints (Kerkvoogden) ter Nieuwe Synagoge, dat een zekere Nathan Daniël Abraham, zich had veroorloofd aan de Commissaires adjoints in de bijkerken een billet toe te zenden bevattende een formulier om in te lasschen in het gebed voor Zijne Koninklijke Hoogheid. Zoodra dit ter kennisse kwam van Commissaires Surveillans die in de Hoofdkerk waren gaven zij bij monde van den President order dat formulier in de bijkerken op te halen.

Die lastgeving werd toevallig aangehoord door een zekeren Isaac Juda Levie Canteman, die ook op de Biema aanwezig was, en daarop een oproerigen kreet aanhief, welke dadelijk ondersteund werd door een aantal van zijn „complices, die op de Biema toesnelden en onder een geweldig geschreeuw, zonder het respect der Synagoge en van den dienst te ontzien, Commissaires Surveillans met scheldwoorden en daden mishandelden", den President, den Heer de Metz, van de Biema afdrongen en den Heer Boas en hem zoodanig bedreigden en aanvielen, dat zij niet dan ter nauwernood de kerk konden verlaten, en zich naar huis moesten latetr escorteeren. De buitensporigheden herhaalden zich Zondag 19 December.

De President is daarop des avonds ontboden bij den Commissaris-Generaal van het Departement der Zuiderzee, Fannius Scholten en in kennis gesteld, dat hij, Commissaris-generaal, reeds door het schriftelijk rapport van den Kapitein-commandant van de schutterij geadresseerd aan den Heer Luitenant-Kolonel, plaatselijk commandant ad interim, geïnformeerd was van de malversatiën, die bij dag in de synagoge waren bedreven, en dadelijk de noodige orders had gegeven om de aanleidende oorzaak dier oproerigheden te onderzoeken, alsmede de „agresseurs" in arrest te nemen. Een publicatie houdende mededeeling van deze maatregelen was bereids door hem opgesteld en werd aan den President overgereikt met verzoek die in het Joodsch-Duitsch

14

Sluiten