Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERTIENDE LES. Deelwoorden der werkwoorden.

b. Lijdende deelwoorden (participoj pasivaj).

Het Nederlandsch kent geen lijdende deelwoorden. On daar de lijdende vorm uit te drukken, gebruikt men hei bedrijvend verleden deelwoord mèt het hulpwerkwoord worden. Dit hulpwerkwoord kunnen we alzoo in 't Esperanto missen, daar de uitgangen achter de stam de lijdende vorm aanduiden. Hebben we bedrijvend: ant, int, ont, ze worden lijdend: at, it, ot; daarachter komt de letter der woordsoort, als hoedanig het deelwoord is gebruikt.

Een zin staat in de lijdende vorm, als het onderwerp de handeling niet verricht, doch ondergaat. De slager slacht de koe (bedrijvend). De koe wordt geslacht door de slager (lijdend).

Het onderwerp van de eerste zin (de slager) komt in de tweede als bepaling van oorzaak (met door) voor. Wil men onderzoeken, of een zin lijdend is, dan denke men er een oorzakelijke bepaling met „door" achter. Kan dat niet, dan is de zin bedrijvend en wordt een vorm met nt in het deelwoord vereischt: De visch wordt gevangen. \

ia / Alle lijdend, want er achter

* » 18 n f , -i i

werfl > Kan men denken „door de

* l zal worden " ) ™scher."

In de tweede zin is weggelaten „geworden"; daardoor wordt men in de waan gebracht, dat het een bedrijvende dn is.

De vangende man = La kaptcmfo viro.

De gevangen wordende visch = La kaptafo fiso.

?. Heilker, Esperanto. g

81

Sluiten