Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

De werkwoorden zijn en schijnen, benevens worden, lijken, heeten, blijken, dunken, voorkomen xijn koppelwerkwoorden, die met een of meer andere woorden vastgekoppeld, te zamen het gezegde van de zin vormen. Het gezegde bestaat dan nit een werkwoord + een naamwoord: (Het gezegde in de volgende zinnen is cursief gedrukt:)

De hond is dood. De hond schijnt dood. De hond gaat (wordt) dood. De hond blijkt dood. De hond dunkt mij dood. De hond komt mij dood voor.

De jongen is timmerman. De jongen wordt timmerman. De kerk stroomt (wordt) leeg. De winkelier zit (is) verlegen om suiker. Hij staat (is) bekend als weldadig. Zij zjjn goede menschen. Dat heeten brave jongens! Jan wordt een bekwame werkman.

In al deze zinnen drukt het werkwoord een toestand van zijn of worden (al of niet werkelijk) uit, waarvan de beteekenis wordt volmaakt met behulp van de daarop volgende woorden. Zonder deze woorden heeft het werkwoord dan ook geen reëele beteekenis en kan juist daarom niet alleen het gezegde vormen. De tot het gezegde behoorende woorden (bijv. naamwoord of zelfst. naamwoord) staan in de 1" naamval of nominatief. Ook in het Esperanto:

La hnndo estas morta. La hundo sajnas morta. La hundo igas morta (mortigas). La knabo estas (farigas) carpentisto. La pregejo igas malplena (malplenigas). pli estas bonaj homoj.

In. bovenstaande zinnen heeft het naamwoordelijk deel van het gezegde betrekking op het onderwerp. De koppelwerkwoorden zijn onovergankelijk. Ze kunnen alle door een vorm met zijn omschreven worden:

schijnen = schijnbaar etyn; worden = toekomstig zijn ; heeten = van naam zijn ; blijken = blijkbaar zijn; dunken = van meening zijn, enz.

Sluiten