Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

NEGENTIENDE LES. De tijden in hoofd- en bijzin.

In onze Nederlandsche taal gebruikt men gewoonlijk in hoofd- en bijzin dezelfde tijd van het werkwoord:

Hij vraagt, of ik ziek 6e» (onv. teg. tijd). Hij vroeg, of ik ziek was (onv. verl. tijd).

Ik vermoed, dat hij rijk is (onv. teg. tijd).

Ik vermoedde, dat hij rijk was (onv. verl. tijd).

Het gebruik van de verleden tijd in die bijzinnen is feitelijk onjuist. Men voelt het niet meer. De zin „Hij vroeg, of ik ziek was" luidt in de directe rede: „Hij vroeg: ben je ziek?" Evenzoo beteekent de zin „Ik vermoedde, dat hij rijk was" = Ik vermoedde: hij is rijk.

Volgens die beteekenissen behoort in bet Esperanto vertaald te worden:

Li demandis, cu mi estas malsana.

Mi konjektis, ke li estas riêa.

Soms zegt men 't in 't Nederlandsch onwillekeurig juist; b.v.

Hij ontweek me, daar hij mé geld schuldig is.

Hij ondervond, dat geld niet gelukkig maakt.

Als men bij die soort zinnen, de bijzin in de directe rede zet, wordt terstond duidelijk, welke tijd er gebruikt behoort te worden:

Hij vroeg, of ik hem helpen wilde, beteekent;

Hij vroeg: wilt ge me helpen.

In de bijzin behoort dus de onvoltooid tegenwoordige tijd gebruikt te worden i

Li demandis, êu mi volas helpi lin.

F. Heilker, Esperanto. 8

Sluiten