Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

117

De vormen van het werkwoord in hoofdzin en bijzin zijn die van de onvolt. verleden tijd der aantoonende wijs óf van de onvolt. verl. toek. tijd.

Echter hebben die zinnen niets met tijd te maken; de werkwoordelijke vormen drukken alleen de wijze uit, d. w. z. de verhouding van de inhoud tot de werkelijkheid, dat wordt uitgedrukt door de uitgang us. Deze uitgang drukt dus geen tijd uit, noch de tegenwoordige (as), noch de verleden (is), noch de toekomende (os).

In 't Nederlandsch heeft men geen aparte vorm, om de voorwaardelijke wijs uit te drukken. De voorwaarde kan men wel in de verleden tijd plaatsen, waarvoor men dan de vorm van de voltooid verleden tijd der aantoonende wijs gebruikt:

Als ik geld had gehad, zou ■ ik goed gedaan hebben.

Indien ge geweten had, wie hij was, zoudt ge hem niet vertrouwd hebben.

De vertalingen der als voorbeeld gebruikte zinnen luiden :

Se mi havus monon, mi bonfarus muite. Se vi scius, kiu li estas, vi ne fidus lin.

Se mi estus havinta monon, mi estus bonfarinta.

Se vi estus sciinta, kiu li estas, vi ne estus fidinta lin.

In de laatste twee zinnen drukt estus de voorwaardelijke wijs uit, terwijl het verleden deelwoord (inta) het verleden der handeling uitdrukt.

Evenzoo kan de voorwaarde in de tegenwoordige en toekomende tijd geplaatst worden: Se mi estus havanta monon, mi estas bonfaranta = Indien ik in het bezit van geld zou zijn, zou ik weldoende zijn. Se mi estus havonta monon, mi estus bonfaronta = Indien ik geld in bezit zou krijgen, zou ik gaan weldoen.

Sluiten