Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DELFT

en kettingen en groene deuren en zij keken allen naar mij met hun stille opmerkzame vensteroogen, waarvoor het witte valgordijn het half geloken ooglid was. Zij keken altijd, en zij wisten het, wanneer ik op en af de stoepen wipte, of mijn handschoenen vergeten had, of de punt van mijn vlecht in mijn mond stak. Want het was een zware, drukkende plicht, een, waaraan ik voortdurend door hen herinnerd werd, om een welopgevoed, zich wei-gedragend kind te zijn.

Van elk huis wist ik wie er woonde, van bijkans elk hoe het er van binnen uitzag als zijn groene deur-mond zich opende, hoe de klank van de bel luidde door de hooge gang en hoelang het duurde eer de meid opendeed. En ik wist van elke gang de patroontjes in de zwart en witte tegels, ik wist aan welken deurknop je eerst morrelen moest en welke met een venijnige pin in je hand placht te prikken; en vooral, vooral, wist ik den geur van elk huis, van elke kamer waar ik Mevrouw een handje kwam geven en nu nog, na al die jaren, weet ik precies dat het in mijn Grootmoeders huiskamer naar Zwitsersche kaas en turf rook en op de slaapkamer van mijn beste vriendinnetje naar gort-uit-de-bus, en in de kamer met het geschilderde behangsel, die ik in De Opstandigen

5

Sluiten