Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DELFT

Het heeft mij veel moeite gekost om te aanvaarden, dat de kleine gebogen man, die de klokkenisten een vondeling (o mysterie!) was, niet zelf elk uur en kwartier het klokkenwijsje speelde. Ik had mij voorgesteld dat hij hoog in den toren leefde, alleen in een klein knus kamertje, waar hij zijn voedsel optrok aan een lang touw. Een bestaan waarom ik hem hevig kon benijden.

Ik lig op mijn knieën in de breede vensterbank van het huis van Paul, die mijn eerste vriendje was. De ruit is beslagen en wij teekenen er poppetjes op: dat mag niet, en daarom is het zoo vreeselijk plezierig. Buiten schemert het en er ligt sneeuw. R,en donkere, platte schuit glijdt door het water, nu komt de man met het laddertje en het lichtje aan zijn stok langs den waterkant geloopen en bij den eenen lantaarnpaal na den anderen zet hij zijn laddertje neer en klimt erin om een olielamp te ontsteken. Wij vinden hem den benijdenswaardigste van alle menschen. Want hem is het vergund om op ladders en in lantaarnpalen te klimmen en zooveel met lichtjes te spelen als hem lust.

Hoe stil en vredig moet de wereld in die

9

Sluiten