Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE MEI

als hijzelf, strak aankijkend steeds achteruit drong, en tenslotte achterover in een emmer met melk biologeerde — waaruit het slachtoffer witdruipend en gillend door de vertoornde moeder werd opgevischt — terwijl wij verheugd aan de hand van de altijd lachende Klaartje, onze kindermeid, naar huis dansten met dit zalige nieuws.

Aan den anderen kant naast ons stond een mooi oud Amsterdamsch geveltje — een smal huis van drie lage verdiepingen, één groot raam met kleine ruitjes naast de platte stoep. Daarachter keek den ganschen dag een hoofd met grijze, stijve pijpkrullen nu op haar handwerk, dan naar buiten.

Hoe de kennismaking begon, weet ik niet meer. Ik vermoed dat mijn spotvogel-vaneen-moeder, die met haar groote oogen in 't klein gezichtje iemand zoo genoegelijk wist te laten doen waar hij absoluut geen zin in had, mij ook kalmpjes-weg hierheen dirigeerde. In elk geval op een middag ben ik erheen gestapt, in mijn roode jurk en schoone witte schort — en dit was het begin van een voor mij altijd gedwongen vriendschap.

Wat het precies was, waarom ik mij nooit gehecht heb aan die eenzame kinderlooze oude vrouw, die toch hef voor mij was, en begeerig

28

Sluiten