Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DRIE DEUREN

achter aan den kant van den weg. Ik ga er langs, ik ruik hem, zie hem... en voor mijn oogen verschijnt een kleurig bordpapieren schild, dat in een krans van nagemaakte bonte roosjes in groote versierde letters het getal 46 vertoont. Mijn vader werd zes-en-veertig jaar, en ik was vijf. Mijn vader was onze meester op het Joodsche School en we stonden opgesteld om hem toe te zingen. Tegen het zwarte bord hing dat schild, het versierde getal 46 in een krans van zijde-papieren bonterrommeltjes. En de deur ging open en mijn vader kwam binnen met het schoolbestuur, en we zongen „Boroeg Habo esjeim Adonai". „Gezegend zij hij, die binnenkomt in den Naam des Heeren", en mijn hart sloeg zoo zwaar en mijn keel werd zoo dik en zoo droog, en was die heer met zijn zwarten baard en zijn hoog en hoed, die zoo plechtig zich neerzette in zijn versierden stoel en zoo ernstig naar ons luisterde, was hij mijn vader wel? Hij werd weer pas heelemaal Vader, toen hij heel even tegen mij lachte. Hij noemde mij: „Krul", en voor twee jaar stierf hij, over de tachtig.

Vele dagen, vele dingen zijn opgeluisterd met den reuk van sparregroen. Maar voor mij is de reuk van sparregroen een kartonnen schild, waar 46 op stond, in een krans van zijde-papieren roosjes.

45

Sluiten