Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE MEI

Schopenhauer noemt ergens de herinnering het loon voor de belangelooze wereld-aanschouwing ...

Géén dingen dan deze, uit den prillen kindertijd, herinneren we ons zóó sterk —, nooit later kijken we zóó belangeloos de wereld aan, de wereld over. Belangeloos —, dat is; zonder zorgen en zonder bekommeringen, zonder eerzucht, zonder begeerte, zonder ijdelheid of nijd. Niets is er dan tusschen ons binnen-ik en ons buiten-ik: de om wereld; onbelemmerd, ongestremd vloeien binnen-ik en buiten-ik in elkander over, worden tot één, voor eeuwig en onverbrekelijk. Later komen de lasten, de moeiten, de beklemmingen van de puberteit, de plichten, ambities, verantwoordelijkheden van het volwassen leven, en het oude verband wordt verbroken, het oude verbond geschonden... de herinneringen ontbreken of ze dragen een ander karakter. En toch blijft het niettemin waar, dat kinderen, ondanks die „belangeloosheid", tegelijkertijd en op een andere manier dogmatisch en egocentrisch zijn...

Sparregroen zal tot het eind van mijn eigen leven de reuk van mijn vaders zes-en-veertigste verjaardag zijn. En eigenlijk is de reuk van doovenetel, in het vroege voorjaar, hier bij de oude molen, nog immer de reuk van het speel-

46

Sluiten