Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE MEI

ik na school op de studeerkamer geroepen.

Er hing de vertrouwelijke sigarenrook, en met opnieuw ontwaakten moed trad ik op de schrijftafel toe. Mijn vader zat te lezen en reikte onachtzaam het zwarte schrift mij aan.

Op dat oogenblik klonk in de stille straat 't gedragen geluid van den stadsomroeper: is — er — iemand — die — verloren heeft — een kerkboek — met een gouden slot <—• „Met een gouden slot nog wel", zei mijn vader.

Nu ja, de omroeper — dat was iets gewoons, een opmerking om mij om den tuin te leiden, maar mijn opstel 1

Wat vond hij wel van mijn opstel, wat van de beschrijving van Naboth s wijnberg, als de zon onderging.

Ik kwam er eindelijk mee voor den dag, gegeneerd...

„Och kind", zei mijn vader, „je hebt nog nooit een berg gezien, laat staan een wijnberg".

Aan den heelen inhoud verspilde hij geen woord meer. „Je hebt het netjes geschreven, je krijgt een goeie hand", voegde hij er met waardeering aan toe.

En toen ik maar bleef hangen tegen den wand vari den schrijflessenaar aan, alsof ik den beker graag tot den bodem wilde leegdrinken, begon hij te vertellen, op een stapeltje losse vellen

74

Sluiten