Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE MEI

rekenschap van, dat die stem aan een „juffrouw" behoorde en dus zeker gehoorzaamd diende te worden.

De juffrouw stond vóór een hoogere klasse, in hetzelfde lokaal gehuisvest, een bewegelijke troep meisjes, die babbelden en lachten onder de les, en de onderwijzeres tot wanhoop brachten.

Deze secondante — de eenige, die de school telde — leeft in mijn herinnering als een wezen, altijd driftig, gewapend met een liniaal, waarmee zij gevoelige tikken op onze handen uitdeelde, en altijd klaar met scheldwoorden; iemand om een echten hekel aan te hebben, een vijand, die ons kleintjes in 't geniep kwaad trachtte te doen, maar de grooten niet aandurfde. Nog zie ik haar met vuurrood gezicht en uitpuilende oogen staan razen voor de klasse. Nu begrijp ik, dat zij een beklagenswaardig schepseltje was, niet berekend voor haar taak als onderwijzeres, en niet gesteund door juffrouw Laak, die, goedig, maar onverschillig, hoogstens bij een hevige scène een kalmeerend woord sprak, als: „Maar juffrouw Reiman, hoe kunt u zich zoo driftig maken?", een woord, dat altijd averechtsche uitwerking had en de drift van de veel geplaagde opdreef tot zij er in dreigde te stikken.

88

Sluiten