Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE MEI

over had gesproken, op honderd andere dingen uit mijn leven. Eiken dag vreesde ik een nieuwe plagerij: mijn zin voor huppelend loopen bezorgde mij den naam van „Huppeldans"; dit woord, mij als scheldnaam nageroepen of onverwachts ingefluisterd, dreef blinde drift in mij op, waar ik uiting aan gaf door met mijn tasch te slaan, hetgeen mij de noodige strafregels bezorgde van juffrouw Reiman. Naar de oorzaak van mijn woede informeerde zij nooit en ik sprak niet uit mijzelf over de plagerijen, deels uit den instinctmatigen weerzin tegen klikken, die elk normaal kind in zich heeft, deels uit schaamte.

Want dit uitgestooten zijn en geplaagd worden onderging ik als een schande, onverdiend weliswaar, maar niettemin als iets om mij over te schamen. Misschien een duister besef in mijn kinderlijk bewustzijn, dat er verband bestaat tusschen lot en karakter.

Ook thuis vertelde ik niets van de plagerijen; Marie Leeuwenhoek en Lena Overstein, met wie ik naar huis liep, vertelden mij den eersten dag, dat zij ook geplaagd waren, toen ze pas op school kwamen; de Beverwij kers hadden eenmaal een hekel aan de Velsers, er ontstonden immers telkens vechtpartijen in de herbergen tusschen inwoners van de twee dorpen.

92

Sluiten