Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE MEI

menschenlot lachten wij — eet age est sans pitié, en ik zei u al, dat mijn grootvader mij j lief had „zonder meer" — lachten wij, tot mijn medeplichtige zijn bril moest afvegen aan den grooten zakdoek, en mijn moeder, de stille getuige dezer revolutionnaire propaganda, met haar oogen naar de pendule op den schoorsteenmantel wees. Van mijn tegenwoordig standpunt acht ik het niet onmogelijk, dat op deze idyllische avonden de kiemen zijn gezaaid, welke in de latere jaren zouden bijdragen tot den beruchten roem, waaraan ik eenigermate mijn carrière te danken heb. De zal grootvader noch mijzelf in dit verband trachten te verontschuldigen, maar iets te mijner décharge kan ik toch nog toevoegen aan het geval meester Pit. Tot in merg en been verdorven was ik, bij vermoedelijken aanleg, toenmaals j nog niet. Want klokslag half acht — wij; waren een militaire familie, stipt en gedrild — draaide ik mijn hoofd aan het halsstengeltje een halven cirkel naar Grootvader om, keek met mijn ernstigste, zoo niet strengste oogen naar hem op, en vroeg op den toon van een gevreesd schoolopziener:

„Zullen we meester Pit dan nu maar weer binnenlaten, Opa?"

Lang kon de arme man van dit eerherstel j

112

Sluiten