Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MIJN GROOTVADER EN IK

als zijn linnengoed, van onkreukbare hoedanigheid — dankten wij, kinderen en kleinkinderen, een zeker aanzien, waarvoor we niets behoefden te doen, en waarbij we ons niet afvroegen, of de kleine profijten, die wij aldus genoten, ons toekwamen als ons rechtmatig deel.

Dit was nu eenmaal zoo. En hoe het zoo kwam? En zoo solide in stand bleef? Wij streken in een enkel twijfelachtig oogenblik de rimpels glad van het vriendelijk gezinshoofd, zonder ons te verdiepen in de rampspoeden der wereld, welke, naar achteraf gebleken is, ook mijn Grootvader's deur niet voorbij zijn gegaan... En dan sprak hij van het mooie weer, voorspelde, dat de wind zou keeren, of legde een extra dik houtblok in den haard... Voor mij zijn deze oogenblikken van bezinning in het bijzonder schaarsch en kort-van-duur geweest, waar het onnoozel binnentreden van mijn —• als oudste van mijn geslacht bovenmatig beminde kleine persoon — alreeds voldoende was om den in-zich-gekeerde uit zijn voorgewend dutje te wekken, op te doen springen uit zijn leunstoel, den ouden man om te tooveren in den jongen minnaar, voor wien bij den glimlach zijner Dulcinea de aarde louter paradijs wordt.

Zoo leefden wij dan, tevreden met elkander,

117

Sluiten