Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MIJN GROOTVADER EN IK

nut en vermaak van de kleinkinderen, maar ik

geloof, dat niemand dezen patriarchalen tocht

zóó genoot als de jubilaris zelf. Voor mij be~ teekende de feestdag ditmaal de crisis. Nooit had ik kunnen droomen, dat er zooveel schoenenwinkels in de luttele straten, van Dam tot Muntplein, verzameld konden zijn! Om het andere huis... En niet, als in de provincie, rouwzwart van aspect, met een enkel verlokkend bruin paar, gelijk het vreemde eendje... Neen, een vijver vol van deze natuurwonderen zwom op draaiend spiegelvlak achter elk vensterglas. Vijf-en-twintig, dertig, honderd paar bruine schoenen. Ze mergelden mijn verlangen uit. Hinkeldepinkel sleepte ik mij achter den onvermurwbaren stoet mijner verwanten aan, simuleerde duldelooze smarten, loog, toen er eindelijk één omkeek, dat mijn zwarte knooplaarzen mij thans onhoudbaar knelden. Geen vonk van deernis in de achterste gelederen. Alleen Grootvader, die aan het hoofd dezer colonne ging, hield een oogenblik halt en keek onder-denindruk. Hij dacht vermoedelijk aan het gouden tientje, dat hij mij dien morgen voor mijn spaarpot had geschonken, en dat, regelrecht verdwenen in mijn vader's portemonnaie, misschien nuttiger besteed had kunnen worden. Hij keek naar den weelderigen winkel waar we

121

Sluiten