Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE MEI

vóór stonden, en tersluiks naar mijn miskende voeten... Nog zweeg hij. Maar ik begreep: nu of nooit, en bouwde huizen op mijn bondgenoot, des te machtiger nu hij jarig was. Ik zette mij op den trottoir-rand, met mijn rug naar den bloeienden gevel, en weigerde vastberaden eiken verderen stap. Ik zei, met die onheilspellende jengeling in mijn stem, die op den geheelen dag last-van-een-kind voorbereidt, dat ik niet meer kón. Mijn naasten zagen elkaar vertwijfeld aan, erkenden, elk voor zich, dat, wilde er nog iets van den Artisgang, het Panopticum en het feestmaal bij Kras terecht komen, men niet geheel doof zou kunnen blijven voor dezen per tinenten eisch. ... Rien ne va plus ... al had ik er moeten sterven.

Nooit, al word ik honderd jaar, zal ik den barschen toon mijns Grootvaders vergeten bij den uitval: „Geef die stumper dan toch een paar andere schoenen! waarmee hij zonder opof omzien den winkel binnentrad...

En zoo chic als ik dien dag door de Papegaaienlaan geloopen heb! Zóó in waarde gestegen, zoo volmaakt gelukkig! De groote menschen weten het niet, wat ze een kind kunnen aandoen met het zijn zin te geven. Knoopen voor het leven werden daar, met

199

Sluiten