Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOEN ONZE MOPS EEN MOPSJE WAS

griezelig detail gespaard wilde hebben, maar nadrukkelijk het „vingertopje op een schoteltje", dat moeder voor vaders thuiskomst had bewaard, en het angstwekkende zwijgen, waaronder ik uit het water was getrokken, erbij vermeld wenschte te zien. Dat ik daarna in brullend huilen was losgebarsten, vond ik minder vermeldenswaard.

Ik was toen Waarschijnlijk al lang met mijn eigen phantasieverhaaltjes begonnen, van „Het meisje loopt in den tuin. De zon schijnt op haar hoofd." Dat meisje was dan een geïdealiseerd zelf, met lange zwarte haren en een smal gezichtje; iedereen vond haar hef en ze mocht altijd allerlei heerlijke dingen. Soms waren 't ook eerst moeilijke of verdrietige dingen, maar die ze dan zoo voortreffelijk deed, dat het later juist plezieriger dan iets anders ter wereld werd. Ik weet eigenlijk niet, wanneer ik met die verhaaltjes ben begonnen; ik denk, toen ik een jaar of drie was. En ik weet ook niet, of ik er wel ooit mee ben opgehouden. Is ons schrijven van groote-menschen-boeken eigenlijk veel anders, dan het in een droomwereld je spelen van het kind, waar de dingen nu eindelijk eens gebeuren, zooals zij het het prettigst zou vinden, of waar je je eens verrukkelijk kunt overgeven aan een zoete rampzaligheid?

155

Sluiten