Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE MEI

en moeder kwamen, dan een heelen tijd niets; en dan pas wij, de kinderen. Natuurlijk voelden I we ons wel eens eenzaam en ook wel eens ver- I ongelijkt, als een meening van ons kortaf werd j opzij geschoven met een apodictisch: „Het is, zooals ik het zeg, en nu geen woord meer". I Maar juist dat niet altijd over moeilijkheden heengeholpen worden, dat dikwijls alleen staan I voor problemen, die voor onze onervarenheid 1 veel te zwaar waren, sterkte onze innerlijke I zelfstandigheid.

De zelfstandigheid, waarin de jeugd van tegenwoordig glorifieert, maakt op een buitenstaander j dikwijls dezen indruk, dat ze eerst, zelfstandig, I doet, waar ze zin in heeft; en dat ze, wanneer I ze in haar dommen overmoed, het eigen leven j jammerlijk heeft verbroddeld, toch weer op de 1 ouders terugvalt, die dan maar moeten trachten 1

van die verspeelde kansen nog te maken, wat j

er van te maKen is.

Wij mochten niet, waar we zin in hadden; er werd ons misschien zelfs wel eens iets verboden, dat bevorderlijk ware geweest voor onzen geestelijken groei of dat onzen levenslust had versterkt. Maar ons innerlijk werd niet beduimeld; er werd niet (met de allerbeste bedoelingen) vivisectie gepleegd op onze ontluikende gevoelens; onze aanleg werd niet principieel

160

Sluiten