Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOEN ONZE MOPS EEN MOPSJE WAS

inhalen; de kinderen en de juffrouw deden, alsof ik nog dezelfde was van eenige weken geleden en ik voelde me eenzaam en ontredderd. Alleen de werkvrouw, die ook Roomsch was, hield me op de gang staande. Haar bruin gezicht onder de gehaakte, zwarte muts stond niet minder strak en zorgelijk dan anders, maar haar stem had iets zachts, toen ze zei: „Nog wel gefielseteerd, bruidje. Dat was de mooiste dag van je leven. En die is nou weer voorbij".

Dat woord bleef in me doorklinken, en op den langen weg naar huis broedde ik er over na; den mooisten dag van mijn leven ... maar als je trouwde dan? Nee, dan moest je weg van Vader en Moeder; dat was nooit zoon onvermengd geluk. Den mooisten dag ... maar als die nu voorbij was, en er nooit meer iets kwam, dat hierbij haalde, waarom moest ik dan nog langer op de wereld blijven? Waarom mocht ik dan maar niet ineens naar den Hemel, die zoo nabij en zoo begeerlijk leek...

Natuurlijk zijn er onder liefdevolle familieleden verhalen over me in omloop, even gênant als sommige kinderportretjes, en die ik bovendien geenszins voor authentiek houd. Er is er maar één, dat ik me zelf herinner en dat, als ik de heele sfeer voor me oproep, me altijd

163

Sluiten