Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE MEI

weer met een gevoel van rijke dankbaarheid vervult. Ik was toen zeven jaar, en (met een taak voor breien) van de eerste naar de tweede klas overgegaan. We logeerden die vacantie in Beek bij Nijmegen, en den eersten avond, dat we aangekomen waren, wandelden we naar de „zodenbank", waar we de Betuwe aan onze voeten zagen liggen. Ik had nog weinig meer gezien dan Rotterdam, (een soort van schoonheid, waar een kind zelden oog voor heeft), en het wijde uitzicht, de prikkelende dennegeur, de vreugde over deze eerste reis brachten mij in een soort van extase. Juist op dat oogenblik begon de dorpsklok te luiden, en toen de anderen hun gewone gesprek niet staakten, zei ik opeens met plechtige stem: „Wees stil. Hier zou ik een gedicht kunnen maken".

„Een gedicht kunnen maken ..." Zou dat niet de allerschoonste aandoening van ons leven blijven? Is het gedicht, dat we schreven en overschreven en publiceerden, ooit die wonderlijke zang waard, dien we zouden kunnen schrijven, — als we schrijven konden?

Dat eene, volmaakte, ongezongen lied, dat we met ons in het graf zullen nemen...

164

Sluiten