Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE MEI

drukkerij om, en voor op de groote straat aan de voordeur kunnen bellen. Ik deed 'n paar stappen in de richting der tuindeur, maar de twee rechte stammen der Populieren leken opeens vijandig — ik durfde niet naar hen toe

— ik durfde hen niet naderen. Ze stonden zoo kaarsrecht als twee wachters, die mij niet door zouden laten. Ik kon hen nu wel onderscheiden. Mijn oogen begonnen te wennen aan het duister. Er doken vormen op. Naast de Populieren was de lange muur met lage struiken, als kleine mannetjes, en daarachter was de takkenwarreling van den boomgaard. Honderden kromme inktarmen, door elkaar tegen de blauw-zwarte lucht. Ik wist immers dat het de boomgaard was; dat het de kruin moest zijn van de ouwe trouwe Jut, waar ik dikwijls in zat te lezen, de kruin van de Bergamot, de appelboom en de gele pruim? en ik wist ook dat het lange, zwarte ding het dak der veranda met het landschap moest zijn; maar ik wist niet wat dat vreemde lage ding was, dicht bij de moerbeiboom — een donkere zwarte punt — en... 't bewoog!

— neen, 't bewoog niet. Ja, het bewoog wel! Het zat op den grond en 't zou langzaam naar mij toe komen. Een vreeselijke angst vloog naar m'n keel. Naar de tuindeur! Ik snelde over het paadje — maar de Populieren be-

214

Sluiten