Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERGETEN IN DEN TUIN

Toen gilde ik zóó luid, zóó hard dat de kippen in het hok wel moeten gekakeld hebben, doch dat hoorde ik niet. Ik herinner mij alleen dat ik nog nooit mijn longen zoo gebruikt heb als toen in dien angstigen nacht aan dat hooge hek — en terwijl ik schreeuwde, waren mijn oogen gericht naar het huis dat achter de donkere laan moest liggen — en zij zagen opeens een lichte plek op den grond, de keukendie openging, toen een lamp, een licht, stralen op het wegje — Greta en Door en de anderen die toe kwamen loopen! | Op dat oogenblik ook vond een mijner voeten het veilige dak van de kippenren terug. — Ik had nu steun en verwachtte de reddingsbrigade op een minder ondragelijke manier dan zooeven. Ze naderden. Ik schreeuwde nog, mijn oogen spiedend achter de ijzeren stijlen; want ze mochten weer eens heen gaan! en toen zij genaderd waren, het geheele gezelschap van den vooravond in het prieel, zag ik tot mijn groote verbazing dat Greta het hek zoo maar open deed. Het was dus niet gesloten geweest! Zij hadden mij maar gefopt! Ik had ook zoo den tuin kunnen verlaten!

Een arm omvatte mij en haalde me uit mijn netelige positie. Het was die van Piet. Ik zag het nog en sloot mijn oogen, blij dat het Janus niet was, en ik het me als een lammetje

221

Sluiten