Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE MEI

naar binnen brengen. Ik hoorde de stemmen, vooral die der moeder, om me heen, maar wat zij allen zeiden hoorde ik niet. In de keuken was licht. Daar stond op de witte tafel de botram met aardbeien. „Wil je die nog ?" vroeg Greta met een heel andere stem dan ik van haar gewoon was. Ik schudde m'n hoofd. „Breng 'r maar gauw naar bed," kwam Door's stem, entoen: „Wil ik 't doen Liefje?" — Ja, ja, Door moest maar met me mee! <— ■ De sloeg m'n armen om haar heen, ik het m'n hoofd op haar schouder rusten en zij droeg mij de gang door, de trap op naar mijn kamer. Toen ik „er in" lag en het avondgebed gezegd had waarin het gewichtige zinnetje kwam:

„O ik moet U dankbaar loven Voor al 't Goede mij betoond!"

bekroop de twijfel me aan al dat Goede. — Wat was vandaag dat Goede geweest? Maar ik vroeg 't niet aan Door. Ik was heel stil, en toen zij me na een nachtzoen had ingestopt en me wel te rusten wenschte en aan mijn oor zei, dat „niemand maar iets zou vertellen aan Moes van mijn koppigheid in den tuin", — knikte ik instemmend. Neen, niemand zou iets vertellen — dat was maar t' beste. Een zalige rust kwam over me.

222

Sluiten