Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE MEI

alleen dom, temidden van die anderen, knappen 1 Dat vader het nochtans niet „erg" vond, zou ik toen niet nebben kunnen gelooven; — later heb ik begrepen dat hij veel te wijs en te mild was, om in de eerste plaats te hechten aan een goed verstand.

Het hefst zou ik aan die maaltijden heelemaal niet zijn opgemerkt; onzichtbaar zou ik aanwezig hebben willen zijn. Want ge moet niet denken dat ik graag vijf minuten zou hebben gemist; ik genoot wel veel, ik was trotsch op de knapheid van de anderen, ik hoorde graag hun stemmen, zag het borrelende leven in hen. En ook geloof ik achteraf, dat ik wel iets van hen geleerd heb. Ze spraken dikwijls over dingen die ik niet begrijpen kon, maar ik leerde toch onze taal. En dan werd er ook over letterkunde gepraat. Vader citeerde iets, en wij moesten zeggen waaruit dat was, en van wien. Maar zelfs de grooten bleven nu vaak het antwoord schuldig, en de gewone verzuchting was dan: „Jullie kénnen je classieken niet. (De classieken, dat waren: Vondel, Potgieter, Bilderdijk, Beets, Tollens, Multatuli, enz.). Minstens eens in het jaar zei vader „Scheepspraat" van Huygens op. „Ik heb dat vandaag met de zesde klasse gelezen," kon hij zeggen, en dan volgde het gedicht in zijn geheel. O, wat ge-

230

Sluiten