Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE KLOKKELUIDERS VAN QUELVEN

Fettinel, baanderheer van Coël-Sarre, de roofridder, die de schrik was van het Scorf- en Blavetdal en heel het land van Morbihan, had dien Octobernacht op de heirbaan met zijn bende de boeren en kooplui overvallen opweg naar de jaarmarkt van Quimper. Vaten vol cider en jongen wijn; reeën, hazen en konijnen, fazanten en patrijzen in trossen met de pooten bijeengebonden; korven met boter en eieren en levende hoenders; zware balen geurige appels: heel de milde overvloed uit de najaarsbosschen en -gaarden, lag tot een berg opgestapeld op den laagwieligen wagen, dien ze met ossen en al den voerman van Pontivy hadden afgenomen. * «We kunnen met onzen buit wel evengoed jachtmaal houden, als de markies van Coëtbo na Z*n klopjacht", riep er een van de dertien, dat samenraapsel van leegloopers en schavuiten, die Fettinels vendel vormden* I

„Waarom zouden we niet?** viel Fettinel zelf hem dadelijk bij, met de jolige geestdrift, die het geheim was van zijn overmacht over die druiste rinkelrooiers: visschers te lui om nog uit te varen; houthakkers, die hun botte roestige bijl ten laatste maar voor goed links lieten i liggen; boeren,

Sluiten