Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien hebben we hard noodig om ons goeden raad te geven dezen winter"*

Daar grinnikten en grijnsden de dertien weltevreden* Ze vloekten binnensmonds» ze spuwden op den grond* Als Fettinel enkel nog aan den duivel geloofde, waarom zij niet evengoed? Een mensen moet toch iemand hebben om aan te roepen, en Satan is 'een vroolijke kameraad, die heel wat beter past bij hen dan de goede God en Zijn Heiligen*

Toch is 't beter geen namen uit de andere wereld te noemen, wanneer men 's nachts door een slapend dorp rijdt met het kostelijk voornemen van een braspartij in de kerk.

„Sst", waarschuwt Fettinel. Overbodig I De dertien weten te zwijgen op tijd, kunnen met één doffen bons een kerkpoort zonder grendels openstoot en; zonder een woord hun paarden en muilezels daarbinnen aan de pilaren binden, zóó dat de wijwatersvaten tot drink- en voerbak dienen; en luchtig en licht als de wind de wolken, tonnen en korven en de koppels boschwild van den ossenwagen hier voor het altaar opeenstapelen*

Ze hebben geen ander licht bij dien intocht in Quelvens kerk, dan het vlammetje van de Godslamp. Maar Mathurin, de vroegere klompenmaker, heeft handig als een koster de altaarkaarsen aangestoken. Nu ze branden zien ze allen even en tersluiks naar de Moeder Gods in haar nisje boven het tabernakel, die in den goudgloed roerloos en star, met haar glinsterigen wit-satijnen mantel en haar kroon vol flonkerende

3

Sluiten