Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met hun verdorven oogen mogen ze zien en worden niet blind, en hooren de klok haar hemellied zingen. Stil, stil, dat het niet verzwerft in den sterrenglans eer ze 't vatten en verstaan.

Het zingt Maar ze kennen dat lied immers?

Wat ook weer? Hoorden ze het de zee zingen om de eilanden in de golf van Morbihan ? Suizelde zoo de avondwind door Bretagnes bosschen, het koren van de velden tegen de heuvelglooiingen? Ach, lang geleden, toen ze nog trouw waren aan zich zelf! Geen onder hen, of het hart wordt hem week door herinneringen, ijl en onbestemd eerst, maar zoekend omzwervend door het eigen verleden, om weer te vinden, wat ze er verloren lieten en te weten, wat ze geen naam kunnen geven.

Fettinel, baanderheer en roofridder, met zijn vilthoed vol struispluimen, in zijn rood-satijnen pourpoint met den radronden plooikraag, gouden sporen aan de hooge rijlaarzen, staat nog zooals hij stond, roerloos, de armen uitgebreid, en over zijn scherp-besneden, zijn brutaal gezicht vloeien tranen»

„Ave Maria" prevelt hij. *t Is voor allen het verlossingswoord. Ze zuchten het hem na, kunnen niet anders, weten meteen hoe dit het verre verlorene is, waarover ze zooeven hun gedachten pijnden. Het woord, dat hen bevrijdt van den ban, dien ze eerst voelen nu hij van hen afvalt

„Wees gegroet, Maria, vol van genade". Ach neen, ze zijn geen booswichten en heiligschenners, geen duivelstrawanten. Ze kennen een voor een hun Ave nog van voor tot achter Ze

6

Sluiten