Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich over hem heen buigt en haar zachte hand op zijn voorhoofd legt.,

„O", zucht hij. duizelend het Hoofd aan moeders hart verbergend. „Ik geloof, moeder, dat ik priester mag worden".

„Dat geve God, lieve jongen", prevelt moeder en ze sluit hem in haar armen. Hoe zou ze hem kunnen zeggen dat ze er om bleef bidden van vóór hij geboren werd: een priesterzoon te mogen hebben om de zonde te verzoenen van haar vader, zijn grootvader, die zijn priesterroeping verzaakte toen hij haar moeder trouwde, en in zijn levensavond, zonder weerstand meer tegen zijn wroeging, zich daar troosteloos over dood tobde.

„Het klopte aan mijn venstertje, moeder. Maar ik weet 't nu beter, 't was niet een meeuw, die er met haar bek tegen tikte, — het waren de kneukels van die doode hand, de arme ziel zelf van den priester, die geen priester was*....."

Met horten en stooten doet Rivalain haar het verhaal van zijn droom, en warm vloeien haar de tranen over het gezicht.

Als hij alweer lang zwijgt en slaapt, zit ze daar nog op den bedrand met zijn handjes in haar handen en mijmert in den Allerzielennacht over de gemeenschap der Heiligen, voortbiddend voor die ééne ziel in nood, die meer dan bidden, het zoenoffer noodig heeft van een ziel, om op aarde te vervullen wat ze zelf verzuimde*

14

Sluiten