Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

visschers langs de Bretonsche kust op den bodem van hun kleine zeilbarken lagen te slapen, kwam er plotseling met een zonderling ruischen en bruisen een groote beweging in de zee. De eene, die wacht hield, riep z'n makkers wakker. Ze zagen iets heel vreemds: Een rots kwam naderdrijven en sleepte het kielwater na zich als een lange, steeds wijdere lichtbundel, die wel scheen te zingen, alsof de golven door haar aanraking trilden, welluidend als vioolsnaren. Ze was begroeid met bloeiend wier, zooals niemand *t ooit zag, en waaruit een zoete geur opsteeg, zóó doordringend dat de lucht en heel de zee er van doortrokken waren. Op den top van die rots zat een man op z'n knieën te bidden. Om z'n hoofd blonk een aureool, dat de nacht wijd om verhelderde. Dit was Sint Ronan, die de kust van Armor naderde.

Hij landde in een der havens van het gewest Leon. Ongelukkiger had hij wel niet kunnen terechtkomen» De kust van deze landstreek was toentertijd bewoond door een volk van zeeschuimers en strandroovers. Ze aanbaden woeste goden, die ze vereenzelvigden met de eiken van het woud en de klippen van den oceaan. Sint Ronan plunderden ze niet uit, omdat z'n haren pij, z'n eenig hebben en houden, al te armzalig was om hun begeerlijkheid op te wekken* Wel lieten ze geen gelegenheid voorbijgaan om hem te toonen hoe z'n bijzijn hen hinderde, en wanneer hij met hen spreken wilde over de nieuwe leer, de leer die Christus bezegeld had met Zijn bloed, keerden ze hem den rug toe, en

z6

Sluiten