Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschijning sloeg hen ten slotte met ontzetting* De ontzaglijke gedaante van een dier stond daar boven op den berg, en tot driemaal toe doorscheurde een geweldig gehinnik de duisternissen* Heel de bende stoof uiteen als een zwerm musschen* Alleen Keben bleef waar ze was: de haat was haar een pantser tegen de vrees. Bij den oproep van de steenen merrie was Ronan uit z'n kluis gekomen. Hij naderde de helleveeg en zeide: „Wacht u binnen de haag van hulst te komen. Vrouwen is hier de toegang verboden."

Ineengedoken stond Keben gereed om hem aan te vliegen; maar een bovennatuurlijke kracht nagelde haar aan den grond en haar beenen verstarden als tot steen* In de onmacht van haar woede barstte ze los in een vloed van verwenschingen en wierp den Heilige de smadelijkste scheldnamen naar het hoofd*

„Wel ja, zeker! — huilde ze — „je verbiedt de vrouwen den toegang tot je hol, maar de mannen

lok je er heen, ongeluksbehekser! Spreek,

wat heb je gedaan met den meester van Kernevez ? Wat voor tooverdrank gaf je hem te drinken?****.* Wij hebben je niet hier geroepen. Waarom ben je naar ons gekomen? Zie je ginds die hofstee tusschen de struiken? Daar werd in vreugde en eendracht gearbeid. De rook.steeg er uit den schoorsteen als een voortdurend dankoffer aan de goden. Wel dan, door jouw kunsten is er de welvaart verdreven en deed de ondergang er z'n intocht» Waar vrede heerschte, heb jij huwelijkstwist aangewakkerd. Bij de zon en bij de maan, wees vervloekt!"

28

Sluiten