Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en allengs steeds meer door den rijkdom der heerezaal, deed Yann werktuigelijk wat hem gezegd werd. Eer hij 't wist, zat hij in een der groote leunstoelen en bemerkte tot zijn schrik hoe hij de voeten nog in de zware klompen naar het houtvuur in den open haard hield gestrekt. Schuw gluurde hij naar den edelman, de vermaning vreezend, dat hij hier niet in een boerenkeuken was. Maar heer Leonardus vroeg, aldoor met dezelfde beminnelijkheid:

„Zeg me nu eerst eens je naam/'

„Yann Rumengol."

„Costik ann od, nachtegaal der kusten! Ik heb dus goed geraden bij den eersten blik!" In een schok van blijdschap was heer Leonardus opgesprongen. „Wat een geluk voor ons, Yann Rumengol hier te hebben op Kerstavond."

Yann zag hem met opklarende oogen aan, en Zei niet, wat hij toch wist te moeten zeggen nu: „Ik heb beloofd Nedelek te vieren met die van Rumengol bij de Moeder Gods van alle-hulp."

Hij had immers nog tijd genoeg om heer Leonardus op zijn vele vragen over zijne liederen en zijn zwerftochten te antwoorden, en daarna met hem mee te gaan naar de gedekte tafel, om soep te eten en den dampenden schotel vol geboterde kastanjes. Flonkerenden rooden wijn schonk heer Leonardus in kristallen bokalen, en de huisknecht bracht op zilveren luchters de brandende kaarsen binnen.

„Het wordt avond," zei Yann toen, plots bevangen door een huiverkille angstigheid. „Ik moet gaan." Hij dacht voor 't eerst weer aan zijn eed

55

Sluiten