Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij was, argeloos als de nachtegaal in de struiken. Eindelijk vroeg hij een visscher hem mee te nemen in zijn pink, snakkend naar verreining en vernieuwing ginds in de zuivere stilte der eeuwige wateren. Sinds zwalkte hij nu met dezen, dan met genen mede, zwijgzaam wakend over roer en zeil, j terwijl de ander stom het net sleepte of het ophaalde vol glinsterige kleine visschen. En den blik verloren in de oneindigheid van het licht, poogde hij zich alles te herinneren wat heer Leonardus hem verhaald had of voorgelezen over de verre tijden van Armor. Maar liederen werden het niet: noch heldenzang, noch levenslied. Armer van hart, zieker dan hij gegaan was, kwam hij terug aan land, zonder ook maar een vleug te voelen van het weemoedig geluk uit zijn jeugd, toen hij de eilanden zag als losgevaren van Armors kust tot [zijn welkom, en de verzonken steden hem verrezen schenen te wachten op de oeverrotsen.

Zwierf hij weer van dorp tot dorp en de bosschen jin, lusteloos de laatste wijzen herhalend, die hij pch herinnerde, dan bemerkte hij hoe alleen de jalleroudsten der dorpelingen kwamen toeluisteren, even verdrietig als hij zelf was. En meer en meer begon het hem toe te schijnen, gebannen te zijn in |een vreemde wereld, waar hij wegen of huizen, noch de menschen of zich zeiven kende

Hoeveel jaren er in deze doffe doodschheid waren voorbijgegaan, wist hij niet. Maar op een pmerdag, toen hij midden op de markt van PontAven bijna overreden werd door een ronkenden iSnorrenden wagen zonder paard, gingen hem plotseling de oogen open voor de werkehjkheid.

63

Sluiten