Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Heer Leonardus/' herhaalde Yann met koppigen nadruk.

„Wat bazel je toch?" vroeg de ander geërgerd. „Meen je mijn grootvader soms, maar wien mijn ouwelui me noemden vanwege de verwantschap? Gelukkig heb ik niet meer dan zijn naam van hem. Hij was een dwaas, die speellui en zwervers tot zijn vrinden en gasten had, en wiens schuld het waarachtig niet is, dat zijn laatste nazaat tot de rijksten van het land behoort."

Yann Rumengol voelde een heeten brand in zijn oogen, die zagen hoe de jonge man zich Zelf schamper uitlachte, na zooveel verspilde woorden*

„Zeg op wat je wilt, of pak je weg. Meen je, dat we hier tijd hebben ons met landloopers te bemoeien?"

Maar Yann bleef stom en staarde hem aan, verbijsterd denkend aan zijn nieuw lied. De ander, gereed om zich op de hielen om te draaien, leek zich te bedenken.

„Aalmoezen worden hier niet gegeven," begon hij opnieuw* „Wie eten wil, moet werken. Er zijn hier tegen de Kerstdagen handen te kort. Meld je aan bij den opzichter om flesschen te spoelen. Zeg maar, dat ik je stuurde."

De kleinzoon wees naar een der groote nieuwgebouwde werkloodsen links van het plein, waar vóór en achter de open poorten een woelige bedrijvigheid was van mannen en jongens.

„Heer Leonardus van vroeger"...... wilde Yann

Rumengol zijn komst gaan verklaren.

„Allo, het maalt je", sneed de ander hem kregel

78

Sluiten