Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nu is het geen lied» maar een biecht," onderbrak Yann zijn bevend gerevel* „En o, de wroeging om de zonde, die duurde van den Kerstavond bij heer Leonardus tot nu.»..», eed vergeten, God vergeten, al vergeten...... Is het te laat, vrouwe?"

„Zing voor God."

„Beter zou bidden zijn."

„Zingen kan bidden zijn."

„Zingen is zondigen voor wie zingend zichZelven zoekt* Ik heb zingend den roem gezocht en vond de schande* Eed vergeten* God vergeten, al vergeten* Allen en alles heb ik beschuldigd van mijn ongeluk, behalve mijn eigen hoogmoed en trouweloosheid. Zeg me, vrouwe, wijze en wetende, is Armors ongeluk uitgegaan van de ontrouw van Armors laatst en bard? O, ik zie! Dx zie de zonde en de straf der zonde...... Maria en den

Mabik had ik moeten dienen als monnik in SintGildas' abdij, naar mijn eed en hun uitverkiezing. In de monnikscel zou mijn lied niet verstomd zijn, en Armor ware luisterend zich zelf gebleven."

Het kindeke aan zijn hart kreunde zacht* Als een donkere zee zag Yann zijn zonde aanwassen. Kwam ze zich over hem storten en hem verdelgen in den eeuwigen dood ? Hij, die in laatste opleving, verdwaasd in zelfverheerlijking, bijna eigenmachtig den dood was ingegaan......

Het kindeke aan zijn hart begon zoo klaaglijk te krijten, zóó bedroefd, dat hij radeloos zocht en zocht hoe het te sussen* en maar weer met zijn lied begon*..... Maar het voegde zich in andere woorden, in andere wijze samen. „God, die me

85

Sluiten