Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit leven gaf, laat me het U weergeven in het lied, dat ik zing tot Uw eer."

„Costik ann od, grootste van Armors barden, laatste maar heerlijkste," prevelde de vrouwe*

„Te laat."

„Alsof de eeuwigheid den tijd telt met vroeg en laat! Zing!"

Maar Yann zweeg en zocht. Hij zocht dat ééne lied van den Kerstnacht in Rumengol, den hartezang waaruit zijn eed was geboren, het wondere, gewonnen en verronnen in een verschietenden schijn der eeuwige zaligheid, zijn hemelzang die zijn zondezang werd.

Ze daalden door sneeuw en mul zand een klove in tusschen duistere steilten. Het leek een krochtgang, in wier diepte, als door een wijd open pooit, een zwakke schijn schemerde*

„Is daar uw huis?" vroeg Yann, angstig dat het einde naderde van dezen wonderen tocht, en hij met alle nieuwe woelende wroeging en verwondering alleen zou moeten verdergaan.

„Treed er binnen met ons."

„Zeg me, zeg me," snikte Yann plotseling, aandringend, opgewonden, „hoor ik waarlijk klokken? Alle klokken van Armor? Of is 't weer droom en waan ? Een lied zingen ze."

„Het is immers Kerstavond," verklaarde hem de vrouwe rustig.

„Kement'zo en ti, Doue d'ho miro," zong Yann met de klokken mee. „Zie de sneeuwvlokken worden sterren, een wemeldans van louter lichtende sterren om ons heen. Waar zijn we?"

„In de poort van ons huis."

86

Sluiten