Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<üe niet meer konden uitvaren, maar altijd weer den kustrand zochten om uit te zien in de lokkende verte, zij» met hun zeeschuimerskoppen en hun droomige kinderoogen ? Hen vooruit baanden hun kloeke zonen zich met stap en schouders den weg, de zwijgers met wie hij had omgezworven over het wijde water, die hem overlieten aan zijn gedachten als de zonneloop zelf stijgend en zinkend van licht naar duister. Ook de breisters, de spinsters, de nettenboetsers waren er, de kantwerksters, bezadigde moeders en hupsche meisjes, trippend arm in arm; en alle speelsche knapen, die het water aantrekt zooals het de meeuwen trekt. En daar schreden de kalme klompenmakers, die hem hun kunst leerden, de houthakkers, de kolenbranders, allen die in de bosschen ooit in zomernacht of herfstavond om hem heen hadden gezeten, wanneer hij zong. En deze hoevenaar en gene waard, en meer dan één goede oude dorpspastoor, allen die hem bij tijd of ontijd gulhartig brood en bed hadden gegund. Stedelingen, die hem ooit genoodigd hadden mee aan te zitten rond de wasemende soepterrien en den schotel goudbruin gebakken zeevisch, zoovelen, die hem in zijn levensdagen iets goeds hadden gedaan, soms alleen door de vereering, die hem uit hun oogen had toegeblonken* Hij zou hen willen groeten, en bejammerde het, dat niemand op hem lette in hun ongeduld om vooraan te komen. Hij riep hun namen, maar zijn stem, zooals heel hun blij gezwatel, werd overgalmd door de klokken, die zooeven begonnen te luiden, bronzen en zilveren, hoog getinkel boven diep dreunen uit, een gebeier

7 — 104

93

Sluiten