Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steund, de oogen dof van tranen, staan uitstaren, over de Loire, de vredige rivier* die met haar breede bochten door de groene vallei tusschen de boschheuvels droomig voortstroomde naar Anne's hef eigen land.

Al te ondoordacht had ze Bretagne verlaten, verweet ze zich, eigenlijk het verraden door het met haar zelve aan een koning van Frankrijk over te geven, — het Bretagne, dat in zoo hardnekkig verweer zijn onafhankelijkheid door de eeuwen heen had verdedigd en ze het laatst van alle leenstaten had bewaard. Wreekte 't zich door haar die het prijsgaf, zóó onweerstaanbaar aan te trekken, dat ze het Fransche koningskasteel meer en meer als een kerker begon te beschouwen, haar huwelijk als een ban, al haar harteleed als een straf voor haar ontrouw?

Met die vragen groef het heimwee naar Bretagnes kusten en bosschen zich zóó diep en pijnlijk in haar hart, dat koning Charles bij z'n terugkeer uit Italië haar ziek vond van rouw en verlangen. Om haar te troosten liet hij vier Bretonsche musicijnen naar Blois roepen. Ze zongen de liederen van haar volk voor Anne, de klagelijke heldenzangen en de dwepende balladen, gwerziou en soniou, begeleid door hun doedelzakken en houten fluiten. Weemoed was de grondtoon, heimwee naar geluk snikte in de refreinen dier hartroerende,

meesleepende leisen van liefde en leed Met

bevende lippen en wimpers luisterde Frankrijks koninginne toe, haar glimlach werd nog droefgeestiger, maar missen wilde ze hen niet meer, haar vier Bretonsche barden.

105

Sluiten