Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

droom van een ver, een allerschoonst geluk in de oogen, eerbiedig en verteederd den blik naar haar, of zij 't voor hen in haar ziel bewaarde*

Anne van Bretagne breidde de armen open als tot zegenen en omhelzen en zei 't hun, innig en ontroerd, maar voor allen verstaanbaar, hoe ze dit waarlijk wilde, dit bovenal tot aan haar dood: de moeder van haar volk zijn******

En nu kwam ze niet meer achter allen aan, maar Ze ging allen voor, en leidde de Tromenie-gangers de kerk binnen van Locronan, het o er-oude heiligdom met z'n groen-bemoste muren, wiens zuilen en gewelven groeiden uit de stammen en kruinen der eeuwige eiken, op de plek waar de ossen met Ronans doodewagen bleven stilstaan, zonder meer verder te willen* Tot steen geworden in één nacht ligt Sint Ronans lichaam daar nog op den versteenden bodem van zijn doodewagen, door zes engelen getorst op hun vleugelen.

Op haar witte klompjes ging Anne recht naar hem toe, en boog zich over zijn eeuwigen slaap, over zijn verweerd gezicht, dat nog al z'n goedaardigheid in barschen ernst verbergt, en in naam van alle Bretonsche vrouwen kuste ze hem op de wang om Kebens kwade beleediging ook metterdaad te verzoenen en door liefde het laatste spoor weg te wisschen van Kebens smaad*

Toen ze opzag, straalden Anne's oogen van hoop en levensmoed*

Haar ridders en edelvrouwen werden 't wel* gewaar op den terugweg, dat Sint Ronan wel wezenlijk Anne tot voorspreker was en bleef* Vroolijk als een kind reed ze tusschen hen in en riep de

xi6

Sluiten